Naar inhoud springen

concourir

Uit WikiWoordenboek
stamtijd
infinitief verleden
tijd
voltooid
deelwoord
concourir
concourais
concouru
derde groep volledig

concourir

  1. onovergankelijk samenlopen; op hetzelfde punt bijeenkomen
  2. onovergankelijk op hetzelfde moment gebeuren; samenvallen; gelijktijdig plaatsvinden
    «Mais si selon Platon le roi par nature est un personnage si rare, combien de fois la nature & la fortune concourront-elles à le couronner.»[1]
    Maar als volgens Plato de (ideale) koning van nature zo een zeldzaam persoon is, hoeveel keren vallen natuur en lot dan samen om hem te kronen?
  3. onovergankelijk aan een concours deelnemen
  4. onovergankelijk samen aan iets bijdragen; samenwerken; samen hetzelfde doel nastreven
  • [4] concourir à + infinitif
    bijdragen om ... te ...
  • [4] concourir à quelque chose
    aan iets bijdragen
  1. Bronlink Weblink bron “Du Contrat Social”, digitale editie gemaakt naar de eerste druk op de Franse Wikisource (1762), p. 170