ficher
Uiterlijk
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| infinitief | verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| ficher |
fichais |
fiché |
| eerste groep | volledig | |
ficher
- insteken
- fixeren (van ogen)
- (spreektaal) uitvreten, uitspoken, doen, geven, stoppen (in) [1]
- (vulgair) neuken, naaien [1]
- [4] fichtre